Onze hoge roeping

De Wereld Ingaan - Gebedsweek December 2025

Onze hoge roeping

Samengesteld uit de geschriften van Ellen G. White. Vrijdag, 5 december 2025.

“De oproep om alles te leggen op het altaar van het dienen, komt tot iedereen. Ons wordt niet gevraagd te dienen, zoals het geval was met Elisa, ook behoeven we niet alles te verkopen wat we bezitten; maar God vraagt ons om het dienen van Hem voorop te plaatsen in ons leven, om geen dag te laten voorbijgaan zonder iets te doen, waardoor Zijn werk op aarde zal vooruitgaan. Hij verwacht niet van iedereen dezelfde dienst. Iemand kan geroepen worden om te dienen in een ander land; een ander kan gevraagd worden met zijn goederen het evangelie te steunen. God aanvaardt het offer van elk van hen. Toewijding van het leven en alles wat ermee samenhangt, is noodzakelijk. Zij die zich op deze wijze toewijden, zullen de roep van de hemel horen en gehoor eraan geven. Aan iedereen, die deelgenoot wordt aan Zijn genade, wijst de Here een werk voor anderen. Als enkelingen moeten we op onze plaats staan en zeggen: “Hier ben ik, zend mij”. Hetzij iemand evangeliedienaar is of arts, hetzij hij koopman is of boer, geleerde of werktuigkundige, de verantwoordelijkheid rust op hem. Zijn taak is anderen de blijde boodschap van hun zaligheid te brengen. Alles wat hij doet, moet hierop gericht zijn.” –Profeten en Koningen, blz. 138-139.

Hoe begin ik?

“Niemand hoeft te wachten tot hij of zij naar een verafgelegen veld wordt geroepen om anderen te helpen. Waar u ook bent, u kunt direct beginnen. Kansen liggen binnen ieders bereik. Pak het werk aan, waarvoor u verantwoordelijk wordt gehouden, het werk dat thuis en in uw buurt gedaan moet worden. Wacht niet tot anderen u tot actie aanzetten. Ga in de vreze Gods zonder uitstel voorwaarts, met in gedachten uw individuele verantwoordelijkheid jegens Hem, die Zijn leven voor u gaf. Doe alsof u Christus persoonlijk hebt gehoord, die u oproept om uw uiterste best te doen in Zijn dienst. Kijk niet om te zien wie er nog meer klaar voor is. Als u werkelijk toegewijd bent, zal God, door uw toedoen, anderen tot de waarheid brengen die Hij kan gebruiken als kanalen om licht te brengen aan velen, die in duisternis tasten.

Iedereen kan iets doen. In een poging zich te verontschuldigen, zeggen sommigen: “Mijn huishoudelijke taken, mijn kinderen, eisen mijn tijd en mijn middelen op.” Ouders, uw kinderen zouden uw helpende hand moeten zijn en uw kracht en vermogen om voor de Meester te werken vergroten. Kinderen zijn de jongere leden van de familie van de Heer. Ze zouden ertoe gebracht moeten worden zich aan God te wijden, van wie ze door de schepping en door de verlossing zijn. Ze zouden geleerd moeten worden, dat al hun krachten van lichaam, geest en ziel van Hem zijn. Ze zouden getraind moeten worden om te helpen in allerlei vormen van onzelfzuchtige dienstbaarheid. Laat uw kinderen geen belemmering vormen. Met u zouden de kinderen zowel geestelijke als fysieke lasten moeten delen. Door anderen te helpen vergroten ze hun eigen geluk en nut.” –The Review and Herald, 29 juli 1902.

“Het is Gods opzet, dat Zijn volk een gewijd, gereinigd, heilig volk zal zijn, dat overal om zich heen licht verspreidt. Het is Zijn bedoeling dat zij, door de waarheid in hun leven uit te leven, op aarde zullen worden geprezen. De genade van Christus is voldoende om dit tot stand te brengen. Maar laat Gods volk er aan denken, dat Hij hen alleen dan tot een lofprijzing op aarde kan maken, wanneer zij de beginselen van het Evangelie geloven en uitleven. Alleen wanneer zij de hun door God gegeven talenten in Zijn dienst gebruiken, zullen zij de volheid en de kracht van de belofte smaken, waarop de gemeente volgens haar roeping moet staan. Wanneer zij die belijden in Christus als hun Heiland te geloven, slechts de lage maatstaf volgens het wereldse richtsnoer bereiken, dan faalt de gemeente om de rijke oogst op te brengen, die God verwacht. “Te licht bevonden” wordt dan in haar register geschreven…

De discipelen moesten niet wachten tot de mensen tot hen kwamen. Zij moesten tot de mensen gaan en zoeken naar zondaars, zoals een herder zoekt naar een verloren schaap. Christus opende voor hen de wereld als hun arbeidsveld. Zij moesten henen gaan “in de gehele wereld en het Evangelie prediken aan alle creaturen”. (Markus 16:15). En dan moesten zij prediken van de Heiland, van Zijn leven van onzelfzuchtig dienen, Zijn dood der schande, Zijn weergaloze, onveranderlijke liefde. Zijn Naam moest hun wachtwoord zijn, de band die hen samenbond. In Zijn naam moesten ze de burchten der zonde tot onderwerping brengen. Het geloof in Zijn Naam moest hen als Christenen kenmerken.

Terwijl Hij Zijn discipelen verdere aanwijzingen gaf, zei Christus: “Gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, die over u komen zal, en gij zult Mijn getuigen zijn, zowel te Jeruzalem als in geheel Judea en Samaria en tot aan het uiterste der aarde.” “Maar blijft gij in de stad Jeruzalem, totdat gij zult aangedaan zijn met kracht uit de hoogte.” (Handelingen 1:8; Lukas 24:49).

Gehoorzamend aan het woord van hun Meester, bleven de discipelen in Jeruzalem bijeen om te wachten op de vervulling van Gods belofte. Hier bleven zij tien dagen, dagen waarin zij hun hart aan een ernstig onderzoek onderwierpen. Alle geschillen ruimden zij uit de weg en ze sloten zich dichter aaneen in een Christelijke verbondenheid.

Aan het einde van tien dagen vervulde de Here Zijn belofte door een wonderbaarlijke uitstorting van Zijn Geest. “Er geschiedde plotseling uit de hemel een geluid, gelijk als van een geweldig gedreven wind, en vervulde het gehele huis waar zij zaten. En door hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur, en het zat op een iegelijk van hen. En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.” “En er werden op die dag aan hen toegevoegd omtrent drieduizend zielen.” (Handelingen 2:2-4, 41).

“En zij uitgegaan zijnde, predikten overal; en de Here werkte mede en bevestigde het woord door tekenen die daarop volgden.” (Markus 16:20). Ondanks de heftige tegenstand die de discipelen ontmoetten, was in een korte tijd het Evangelie des Koninkrijks verkondigd in al de bewoonde delen der aarde.

De opdracht, aan de discipelen gegeven, is ook aan ons gegeven. Heden zoals toen, moet een gekruisigde en verrezen Heiland worden voorgehouden aan hen, die zonder God en zonder hoop in de wereld zijn. De Here vraagt om predikanten, leraars en evangelisten. Van deur tot deur moeten Zijn dienstknechten de boodschap des heils verkondigen. Aan alle natie en geslacht en taal en volk moet de blijde boodschap van vergiffenis door Christus worden gebracht.

De boodschap moet niet gebracht worden op een kleurloze, levenloze manier, maar op een heldere, vastberaden, opwekkende toon. Honderden wachten op de boodschap om hun leven te redden. De wereld moet in de Christenen een bewijs van de kracht van het Christendom zien. Niet slechts in enkele plaatsen, maar in de gehele wereld zijn boodschappers der genade nodig. Uit elk land wordt de roepstem vernomen: “Kom over… en help ons.” Rijk en arm, hoog en laag, roepen om licht. Mannen en vrouwen hongeren naar de waarheid zoals die is in Jezus. Wanneer zij het Evangelie horen, gepredikt met kracht uit de hoogte, zullen zij weten dat het feestmaal voor hen bereid is, en zij zullen ingaan op de uitnodiging: “Komt, want alle dingen zijn nu gereed.” (Lukas 14:17).

De woorden: “Gaat henen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle creaturen” (Markus 16:15), worden gesproken tot een iegelijk van Christus’ volgelingen. Allen die bevestigd zijn tot het leven van Christus, zijn bevestigd om voor de zaligheid van hun medemensen te werken. Dezelfde hunkering der ziel die Hij voelde voor het redden der verlorenen, moet in hen te zien zijn. Niet allen kunnen dezelfde plaats innemen, maar er is een plaats en een taak voor ieder. Allen op wie Gods zegeningen zijn neergekomen, moeten daarop reageren door daadwerkelijk dienen; elke gave moet gebruikt worden voor de voorbereiding van Zijn Koninkrijk.

Een onveranderlijke belofte

Christus heeft voorzieningen getroffen voor de voortzetting van het werk, toevertrouwd aan Zijn discipelen, en Hijzelf nam de verantwoordelijkheid van het welslagen daarvan op Zich. Zo lang zij Zijn woord gehoorzaamden en in verbinding met Hem werkten, konden ze niet falen. Gaat tot alle volken, gebood Hij hun. Gaat tot de verste delen van de bewoonde wereld en weet dat Ik ook daar aanwezig zal zijn. Arbeidt in geloof en vertrouwen, want nooit zal de tijd komen, dat Ik u zal verlaten.

Ook aan ons is de belofte van Christus’ blijvende tegenwoordigheid gegeven. Hoewel lang geleden, is Zijn belofte, bij het afscheid gegeven, niet veranderd. Heden ten dage is Hij met ons even zeker als Hij met de discipelen was en Hij zal met ons zijn “tot aan de voleinding der wereld”.

“Gaat dan henen en onderwijst al de volken,” zegt de Heiland ons, “opdat ze kinderen Gods worden. Ik ben met u in dit werk om u te leren, te leiden, te troosten, te versterken en u succes te geven in uw werk van zelfverloochening en zelfopoffering. Ik zal inwerken op de harten, zodat ze zich bekeren van de zonde, zich afkeren van de duisternis naar het licht, van ongehoorzaamheid naar gerechtigheid. In Mijn licht zullen zij het licht zien. Gij zult tegenstand van Satans handlangers ontmoeten, maar stelt uw vertrouwen op Mij. Ik zal u nooit verlaten.

Denkt u niet, dat Christus diegenen waardeert, die hun leven geheel aan Hem hebben gewijd? Denkt u niet, dat Hij hen opzoekt die, evenals de geliefde Johannes, zich om Zijn wil in moeilijke plaatsen en omstandigheden bevinden? Hij vindt Zijn getrouwen en houdt verbinding met hen, bemoedigt en versterkt ze. En engelen Gods, die uitmunten in kracht, worden door God uitgezonden om Zijn menselijke arbeiders, die de waarheid brengen aan degenen, die haar niet kennen, te dienen.” –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 3, blz. 210-214.

“Aan de prediker van het evangelie heeft God de taak gegeven om degenen, die van de smalle weg zijn afgedwaald, naar Christus te leiden. Hij moet wijs en oprecht zijn in zijn inspanningen. Aan het einde van elk jaar moet hij terug kunnen kijken en zielen zien die gered zijn als resultaat van zijn werk. Sommigen moet hij redden met vrees, “hen uit het vuur trekkend; zelfs het kleed dat door het vlees bevlekt is hatend”, “het betrouwbare woord vasthoudend zoals het geleerd is.” (Judas 23; Titus 1:9). Paulus’ opdracht aan Timótheüs is gericht aan de predikanten van vandaag: “Ik betuig dan voor God en de Heere Jezus Christus, Die de levenden en doden oordelen zal in Zijn verschijning en in Zijn Koninkrijk: Predik het woord; houd aan tijdig, ontijdig; weerleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer.” (2 Timótheüs 4:1-2).

Maar het is niet alleen op hen, die het woord prediken, dat God de verantwoordelijkheid heeft gelegd om zondaars te redden. Hij heeft dit werk aan iedereen gegeven. Onze harten moeten zo vervuld zijn van de liefde van Christus, dat onze woorden van dankzegging andere harten zullen verwarmen. Dit is een dienst, die iedereen kan verrichten, en de Heer aanvaardt het als een dienst die aan Hem wordt aangeboden. Hij maakt het doeltreffend en schenkt de ijverige werker de genade die de mens met God verzoent.

Moge de Heer Zijn volk helpen beseffen, dat er serieus werk te doen is. Moge Hij hen helpen herinneren dat zij thuis, in de gemeente en in de wereld de werken van Christus moeten verrichten. Zij worden niet alleen gelaten. De engelen zijn hun helpers. En Christus is hun helper. Laten zij dan trouw en onvermoeibaar werken. Te zijner tijd zullen zij oogsten, als zij niet verslappen.” –Testimonies for the Church, vol. 8, blz. 18.

Zelf-onderhoudende zendelingen

“Op verschillende plaatsen kunnen selfsupporting zendelingen succesvol werk verrichten. Paulus werkte als selfsupporting zendeling bij het verspreiden van de boodschap van Christus over de wereld. Terwijl hij dagelijks het evangelie leerde in de grote steden van Azië en Europa, verrichtte hij handenarbeid om voor zichzelf en zijn kameraden in het onderhoud te voorzien. Zijn afscheidswoorden aan de ouderlingen te Efeze geven zijn wijze van werken aan en bevatten kostbare lessen voor iedere evangeliewerker.

“Gij weet, hoe ik onder u verkeerd heb… hoe ik niets nagelaten heb van hetgeen nuttig was om u te verkondigen en te leren, in het openbaar en binnenshuis… Ik heb niemands zilver of goud of kleding begeerd; zelf weet gij dat deze handen in mijn behoeften, en in die van hen, die bij mij waren, hebben voorzien. Ik heb u in alles getoond, dat men door zo te arbeiden zich de zwakken moet aantrekken, en zich de woorden van de Here Jezus herinneren, die zelf gezegd heeft: Het is zaliger te geven dan te ontvangen.” (Handelingen 20:18-35).

Ook vandaag zullen velen, met dezelfde geest van zelfopoffering bezield, op soortgelijke wijze goed werk kunnen doen. Laat twee of meer er samen op uit trekken om evangeliewerk te beginnen. Laat ze mensen bezoeken, bidden, zingen en Schriften verklaren, en aan zieken hulp verlenen. Sommigen kunnen in hun onderhoud voorzien door het verkopen van boeken, anderen, zoals de apostel, door een handwerk uit te oefenen of anderszins. Terwijl zij voorwaarts gaan in het werk, hun hulpeloosheid beseffend, maar nederig van God afhankelijk, doen zij gezegende ervaringen op. De Here Jezus gaat hen voor, en onder welgestelden en armen zullen zij gunstig ontvangen worden en hulp vinden.

Wie opgeleid zijn voor medisch zendingswerk zouden aangemoedigd moeten worden om zonder uitstel naar hun aangewezen standplaats heen te gaan en onder de mensen te werken, terwijl zij de taal leren bij het werken. Heel spoedig zullen zij in staat zijn de eenvoudige waarheden van Gods Woord te onderwijzen. Over de gehele wereld zijn boodschappers der waarheid nodig. Er is een roep om christelijke gezinnen om naar gemeenschappen te gaan die in duisternis en dwaling leven; om naar vreemde velden te gaan om bekend te worden met de noden van de medemens en om te werken voor de zaak van de Meester. Als zulke gezinnen zich op de duistere plaatsen van de aarde zouden neerzetten, op plaatsen waar het volk in geestelijke somberheid gewikkeld is en het licht van Christus’ leven laten uitstralen, welk een nobel werk zou tot stand gebracht worden.

Dit werk vereist zelfverloochening. Terwijl velen wachten tot elk obstakel verwijderd is, blijft het werk dat zij hebben kunnen doen, ongedaan en duizenden zijn stervende zonder hoop en zonder God. Sommigen wagen het, om zakelijk voordeel te behalen of om wetenschappelijke kennis op te doen, naar nog niet gekoloniseerde streken te gaan en verdragen opgewekt moeiten en opofferingen, maar hoe weinigen gaan ter wille van hun medemensen die zo zeer het evangelie van node hebben.

Om de mensen te bereiken waar zij ook zijn en hoe hun toestand of conditie ook is, om hen op elke mogelijke manier te helpen, dat is de ware dienstverlening. Door zulke pogingen kunnen harten gewonnen worden en een toegangsdeur geopend worden naar zielen, die anders ten onder zouden gaan.

Bedenk in al uw werk, dat u met Christus verbonden bent; dat u een deel van het grote verlossingsplan bent. De liefde van Christus zal als een genezende, leven brengende stroom door uw leven gaan. Als u tracht anderen in de kring van Zijn liefde te trekken, laat dan de zuiverheid van uw taal, de onbaatzuchtigheid van uw dienst en de blijdschap van uw gedrag, getuigenis zijn van de macht van Zijn genade. Geef de wereld een zo zuiver mogelijke en rechtvaardige representatie van Hem, zodat men Hem zal zien in Zijn schoonheid.

Het heeft geen nut anderen te hervormen door een aanval op wat wij als verkeerde gewoonten zien. Zulke pogingen resulteren in meer kwaad dan goed. Zijn gesprek met de Samaritaanse vrouw bracht Christus de Jacobsbron niet in diskrediet, maar bood in plaats daarvan iets beters. Jezus zei tot haar: “Indien gij wist van de gave Gods en wie het is, die tot u zegt: Geef Mij te drinken, gij zoudt het Hem gevraagd hebben en Hij zou u levend water hebben gegeven.” (Johannes 4:10). Hij keerde het gesprek naar de schat, die Hij te schenken had en bood de vrouw iets beters dan zij bezat, zelfs levend water, de vreugde en de hoop van het evangelie.

Dit is een illustratie van de wijze, waarop wij moeten werken. Wij moeten de mensen iets beters bieden dan zij bezitten, en dat is de vrede van Christus, die alle verstand te boven gaat.

Wij moeten hun vertellen van Gods heilige wet, het afschrift van Zijn karakter en de uitdrukking van wat Hij wenst, dat zij zullen worden. Toon hen hoe oneindig superieur de onvergankelijke heerlijkheid van de hemel is boven de voorbijgaande vreugden en pleziertjes van de wereld. Vertel ze van de vrijheid en de rust die in de Zaligmaker wordt gevonden. “Wie gedronken heeft van het water, dat Ik hem geven zal, zal geen dorst krijgen in eeuwigheid,” verklaarde Hij. (Johannes 4:14).

Heft Jezus hoog op, roepend: “Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt.” (Johannes 1:29). Hij alleen kan voldoen aan de verlangens van het hart en vrede aan de ziel geven.

Van alle mensen in de wereld zouden de hervormers de onzelfzuchtigste, de vriendelijkste, de hoffelijkste mensen moeten zijn. In hun leven zou de ware goedheid van onzelfzuchtige daden gezien moeten worden. De werker, die gebrek aan hoffelijkheid toont, of ongeduld voor de onwetendheid of het tegenstribbelen van anderen, die haastig spreekt of ondoordacht handelt, zou de deur tot de harten sluiten, waardoor hij ze nooit meer kan bereiken.

Zoals de dauw en zachte regen op verdorrende planten vallen, laat zo de woorden voorzichtig komen bij het trachten mensen uit dwaling te winnen. Gods plan is om eerst het hart te bereiken. Wij moeten de waarheid in liefde brengen, in vertrouwen op Hem Die de kracht zal geven voor de hervorming van het leven. De Heilige Geest zal het woord, dat in liefde gesproken is, in de ziel leggen.

Wij zijn natuurlijkerwijze egocentrisch en koppig. Maar als wij de lessen die Christus ons wil leren, ter harte nemen, zullen wij deelhebbers aan Zijn natuur worden, waardoor wij voortaan Zijn leven leven. Het wonderbare voorbeeld van Christus, de onmetelijke tederheid, wanneer Hij de gevoelens van anderen tegemoet komt, die weent met de wenenden en Zich verblijdt met de blijden, moet een diepe invloed hebben op het karakter van allen, die Hem in alle ernst volgen. Door vriendelijke woorden en daden zullen zij trachten het pad voor vermoeide voeten te effenen.” –De Weg tot Gezondheid, blz. 121-125.

Terug naar de uitgave