“Geeft gij hun te eten”
Door Oziel Fernandez, Brazilië. Zondag, 7 december 2025. Een oproep om te dienen en om christelijk medeleven.
De zin van Jezus, “Geeft gij hun te eten”, weerklinkt diep als een oproep tot zorg en verantwoordelijkheid jegens anderen. Deze zin, die te vinden is in Matthéüs 14:16, is ingebed in het bekende verhaal van de eerste vermenigvuldiging van de broden en vissen.
Deze passage vertelt niet alleen over een van de meest iconische wonderen in de Bijbel, maar bevat ook fundamentele lessen over mededogen, vrijgevigheid en christelijke dienstbaarheid. Deze lessen dagen de gemeente van vandaag uit om praktische actie te ondernemen in een wereld, die te kampen heeft met grote uitdagingen zoals honger.
Honger juist nu
Honger is tegenwoordig een verwoestend wereldwijd probleem. “Volgens rapporten van de Verenigde Naties zullen alleen al in 2023, volgens SOFI 2024, ongeveer 733 miljoen mensen wereldwijd honger lijden.” –https://www.wfp.org/publications/state-food-security-and-nutrition-world-sofi-report
Het is alsof één op de elf mensen wereldwijd honger lijdt en dit aantal neemt toe door factoren zoals sociale ongelijkheid, economische crises en gewapende conflicten. Deze realiteit staat in schril contrast met de hoeveelheid voedsel, die wereldwijd wordt geproduceerd. Hieruit blijkt, dat het probleem niet ligt in een gebrek aan hulpbronnen, maar in een slechte verdeling en een gebrek aan actie.
Toen Jezus zei: “Geeft gij hun te eten”, daagde Hij Zijn discipelen uit om een situatie onder ogen te zien, die onmogelijk leek, net zoals de uitdaging om miljoenen hongerige mensen te voeden er vandaag de dag uitziet. Maar net als toen, wijst Christus’ boodschap op de gedeelde verantwoordelijkheid van Zijn volgelingen om te voorzien in de fysieke en geestelijke behoeften van hen, die lijden.
De Bijbel context
Het wonder van de broodvermenigvuldiging vond plaats kort na het nieuws van de dood van Johannes de Doper. Het was mogelijk, omdat de discipelen uitgeput en bedroefd waren door de dood van Johannes, Jezus trok zich met hen terug naar een eenzame plaats voor een moment van verkwikking. ‘Toen Jezus dit hoorde, vertrok Hij vandaar per schip naar een woeste plaats alleen’ (Matthéüs 14:13). Christus’ uitnodiging om te rusten is een uiting van Zijn pastorale zorg voor Zijn discipelen. Maar de gewenste rust werd al snel verstoord, toen de menigte ontdekte, waar Hij heen was gegaan en volgde Hem te voet. ‘De scharen zagen hen heenvaren, en velen herkenden Hem, en liepen gezamenlijk te voet van alle steden daarheen, en kwamen hun voor, en gingen samen tot Hem’ (Markus 6:33).
“Het Pascha was nabij, en van heinde en ver kwamen groepen pelgrims op weg naar Jeruzalem om Jezus te zien. Hun aantal werd steeds groter, totdat er vijfduizend mannen waren, behalve de vrouwen en kinderen. Voordat Christus de oever bereikte, wachtte een menigte reeds op Hem.” –De Wens der Eeuwen, blz. 312.
Medeleven met de menigte
De liefdevolle Verlosser aarzelde nooit om in onze behoeften te voorzien. Hij heeft medelijden met de menigte, verwelkomt hen en geneest hun zieken. ‘En Jezus uitgaande zag een grote schare, en werd innerlijk met ontferming over hen bewogen, en genas hun kranken’ (Matthéüs 14:14).
In het Nieuwe Testament drukt ‘ontferming hebben’ de hoogste mate van medeleven uit met hen, die lijden, meestal in verband met de daden van Jezus Christus. (Zie ook Matthéüs 15:32; 20:34; Markus 1:41; Lukas 7:13).
Jezus stuurt nooit iemand weg zonder, dat Hij in al zijn behoeften heeft voorzien.
Hoewel Hij in Zijn rust werd gestoord en Zijn afzondering verliet, deed Hij drie dingen om voor hen te zorgen:
- Hij onderwees de menigte over het koninkrijk van God en voorzag zo in de behoeften van de geest.
- Hij genas de zieken en voorzag zo in hun fysieke behoeften.
- Hij voedde de hele menigte met brood als een symbool van het brood uit de hemel (Johannes 6:22-40).
Zo kwam Jezus tegemoet aan hun mentale, fysieke en geestelijke behoeften.
De zorg van de discipelen
Het was een drukke dag vol activiteiten geweest. Jezus had onderwezen en de zieken in de menigte genezen, maar de discipelen maakten zich nu zorgen over hoe ze de menigte te eten moesten geven. Toen ze beseften, waar ze waren, liepen ze naar Jezus toe en uitten hun bezorgdheid en stelden voor, dat Hij het volk weg zou sturen om in de omliggende dorpen naar voedsel te zoeken. ‘En toen het nu laat op de dag geworden was, kwamen Zijn discipelen tot Hem, en zeiden: Deze plaats is woest, en het is nu laat op de dag. Laat ze van U, opdat zij heengaan in de omliggende dorpen en vlekken, en broden voor zichzelf mogen kopen, want zij hebben niets wat zij eten zullen’ (Markus 6:35-36).
De discipelen zagen niet in, hoe ze de menigte van voedsel konden voorzien. Het ging hun budget te boven en voor hen zat er niets anders op dan de menigte weg te sturen.
Alles was ongunstig: de plek was afgelegen, het was laat, de menigte was groot en ze hadden niet genoeg geld. Met een visioen van schaarste benadrukten de discipelen wat ze niet hadden.
Christus’ gebod
Luister aandachtig naar de suggestie van de discipelen: ‘Maar Jezus zeide tot hen: Het is hun niet van node heen te gaan; geeft gij hun te eten’ (Matthéüs 14:16).
Het gebod van Christus was onverwacht en verontrustend. De discipelen kregen daarom te maken met drie uitdagingen:
- De menigte was groot: 5.000 mannen, vrouwen en kinderen niet meegerekend.
- Ze bevonden zich in een verlaten gebied, ver van de stad, en er was geen plek, waar ze eten konden kopen.
- Ze hadden niet genoeg geld.
De discipelen waren duidelijk op een dood punt: ze kampten met logistieke problemen, een gebrek aan middelen en een hongerige menigte.
Toch stemden ze ermee in om de weinige brokken, die zij hadden, in de handen van Christus te geven, omdat ‘Hij zeide: Brengt Mij die hier’ (Matthéüs 14:18).
Dat kleine beetje werd op wonderbaarlijke wijze vermenigvuldigd, en iedereen werd verzadigd. Het wonder leert ons, dat God, zelfs met beperkte middelen, grote dingen tot stand kan brengen door mensen, die bereid zijn te dienen.
Toen Jezus de discipelen opdracht gaf om de mensen te voeden, verwees Hij naar het principe van de verantwoordelijkheid van de gemeente om voor de kwetsbaren te zorgen, waarover Hij had gesproken door de profeet Jesaja. Christus gebood, door de profeet: ‘Deel uw brood met de hongerigen’. ‘Breng de arme, verdrevene in het huis’. ‘Als gij een naakte ziet, … dekt hem’ (Jesaja 58:7).
De Heer heeft ons duidelijk bevolen: ‘Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle creaturen’ (Markus 16:15). “Maar hoe dikwijls ontzinkt ons de moed en schiet ons geloof te kort, wanneer we zien hoe groot de nood is en hoe gering de middelen zijn, die wij in onze hand hebben. Evenals Andreas, die op de vijf gerstebroden en de twee visjes zag, roepen we uit: ‘Wat betekent dit voor zovelen?’ Dikwijls aarzelen we, onwillig om alles te geven wat wij hebben, daar wij bang zijn het te besteden voor, en dat het besteed wordt door, anderen. Maar Jezus heeft ons geboden: ‘Geeft gij hun te eten’. Zijn bevel is een belofte, en daarachter bevindt zich dezelfde kracht, die de menigte aan het meer spijzigde.” –De Wens der Eeuwen, blz. 316.
De roep van de gemeente
De zin “Geeft gij hun te eten” gaat verder dan alleen het verstrekken van fysiek voedsel. Het is een oproep aan de gemeente, als het lichaam van Christus, om te voorzien in de geestelijke, emotionele en materiële behoeften van mensen. Jezus stond de discipelen niet toe zich te onttrekken aan hun verantwoordelijkheid om voor de menigte te zorgen, en ditzelfde principe zou ons in de gemeente nu moeten leiden.
“In het wonder van de Heiland bij de spijziging van de vijfduizend is de werking van Gods macht in het voortbrengen van de oogst duidelijk gemaakt. Jezus trekt de sluier weg van de wereld der natuur en laat de scheppende kracht zien, welke aanhoudend voor ons bestwil wordt uitgeoefend. In de vermenigvuldiging van het in de aarde gestrooide zaad, doet Hij, Die de broden vermenigvuldigde, elke dag een wonder. Het is door een wonder, dat Hij elke dag miljoenen mensen spijzigt van de oogstvelden der aarde. Terwijl mensen geroepen zijn met Hem samen te werken in de verzorging van het graan en de bereiding van het brood, verliezen zij het goddelijke werktuig uit het oog. De werking van Zijn kracht wordt toegeschreven aan natuurlijke oorzaken of aan menselijke tussenkomst, maar al te vaak maakt men van Zijn gaven een zelfzuchtig misbruik en wordt van de zegen een vloek gemaakt.
God probeert in dat alles verandering te brengen. Het is Zijn verlangen, dat ons trage begrip bezield wordt om Zijn barmhartige goedertierenheid te onderscheiden, en dat Zijn gaven ons tot een zegen worden, zoals Hij oorspronkelijk bedoeld heeft.
Het is het Woord Gods, het toebedelen van Zijn leven, dat aan het zaad leven geeft; en door het eten van het graan, worden wij van het leven deelgenoten. En God wil, dat wij dat terdege zien: Hij verlangt dat zelfs in het ontvangen van ons dagelijks brood, dat wij Zijn macht zullen erkennen en in een nauwer gemeenschap met Hem gebracht zullen worden.
Door Gods wetten in de natuur ziet men oorzaak en gevolg met onveranderlijke zekerheid. Het oogsten getuigt van het zaaien. Hier wordt geen schijn geduld. Mensen kunnen hun medemensen bedriegen en kunnen beloning en eer ontvangen voor diensten, die zij niet hebben bewezen. Maar in de natuur is van zo’n misleiding geen sprake.” –Karaktervorming, blz. 107-108.
“In de oogst wordt het zaad vermenigvuldigd. Een enkele, door herhaald zaaien vermeerderde graankorrel, zou een hele akker met gouden schoven bedekken. Zo uitgestrekt kan de invloed zijn van een enkel leven, ja zelfs van een enkele daad.” –Karaktervorming, blz. 109.
Verder commentaar gevend op het wonder van de vermenigvuldiging van de broden en vissen, lezen we in de Geest der Profetie: “In de daad van Christus, om in de stoffelijke noden van een hongerige schare te voorzien, is een diep geestelijke les verborgen voor al Zijn arbeiders. Christus heeft het van de Vader ontvangen; Hij deelde het uit aan Zijn discipelen; zij deelden het uit aan de menigte; en de mensen gaven het aan elkander. Zo zullen allen, die met Christus verbonden zijn, van Hem het brood des levens, het hemels voedsel, ontvangen, en het aan anderen uitdelen.” –De Wens der Eeuwen, blz. 316-317.
De honger, waar Jezus over spreekt, kan ruimer begrepen worden. Veel mensen om ons heen hebben honger naar gerechtigheid, vrede, liefde en hoop.
De gemeente heeft een missie om een bron van geestelijke en emotionele voeding te zijn voor een wereld in crisis.
De apostel Jakobus versterkt deze waarheid door de nadruk te leggen op het belang van geloof, gepaard gaande met concrete daden: ‘Indien er nu een broeder of zuster naakt zouden zijn, en gebrek zouden hebben aan dagelijks voedsel. En iemand van u tot hen zou zeggen: Gaat heen in vrede, wordt warm en wordt verzadigd; en gij zoudt hun niet geven de nooddruftigheden des lichaam; wat nuttigheid is dat?’ (Jakobus 2:15-16). Zo vraagt Johannes ook in zijn eerste brief: ‘Zo wie nu het goed der wereld heeft, en ziet zijn broeder gebrek hebben, en sluit zijn hart toe voor hem, hoe blijft de liefde Gods in hem?’ (1 Johannes 3:17).
De wereld van vandaag is vol met “hongerige menigten” op zoek naar zingeving, verbondenheid en hoop. De gemeente is geroepen om een vrijgevige gemeenschap te zijn, klaar om het brood des levens te delen en de veranderende boodschap van Christus te brengen.
Onze rol om te vermenigvuldigen
Het is gemakkelijk om je overweldigd te voelen door de omvang van wereldwijde problemen zoals honger. Hoe kunnen wij, met onze beperkte middelen, een verschil maken in zo’n enorm probleem? Het verhaal van de broodvermenigvuldiging herinnert ons eraan, dat in Christus’ handen zelfs het weinige dat we hebben, vermenigvuldigd kan worden om velen te dienen.
“Zegeningen, zowel wereldlijke als geestelijke, zullen diegenen ontvangen, die de behoeftigen laten delen in wat zij van de Meester ontvangen. Jezus wrocht een wonder om de vijfduizend, een vermoeide, hongerige menigte, te voeden. Hij koos een aangename omgeving voor de mensen en beval hen neer te zitten.
Toen nam Hij de vijf broden en de twee visjes. Zonder twijfel zullen heel wat opmerkingen gemaakt zijn over de onmogelijkheid om bij vijfduizend mannen, behalve nog de vrouwen en de kinderen, de honger te stillen uit die karige voorraad. Maar Jezus dankte, en gaf het voedsel door in de handen van de discipelen om het uit te delen. Zij gaven het aan de menigte, terwijl het voedsel zich vermenigvuldigde in hun handen. En toen de massa gespijzigd was, gingen de discipelen zitten en aten met Christus uit de door de hemel verkregen voorraad. Dit is een kostbare les voor een ieder van Christus’ navolgers.” –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 2, blz. 525-526.
Net als Jezus’ discipelen in het verleden, hoopt God ons te gebruiken als middel om Zijn zegeningen over te brengen. “De discipelen waren het verbindingskanaal tussen Christus en het volk. Dit dient een grote bemoediging te zijn voor Zijn discipelen van nu. Christus is het grote middelpunt, de bron van alle kracht.
Zijn discipelen moeten hun voorzieningen van Hem ontvangen. De meest intelligente, de meest geestelijk ingestelde, kan alleen uitdelen, wanneer hij ontvangt. Van zichzelf kunnen zij in geen enkele behoefte van de ziel voorzien. Wij kunnen slechts dat mededelen, wat wij ontvangen van Christus; en wij kunnen slechts ontvangen, wanneer wij aan anderen mededelen. Wanneer wij voortgaan met uitdelen, blijven wij ook ontvangen; en hoe meer we uitdelen, des te meer zullen we ontvangen. Zo kunnen wij voortdurend geloven, vertrouwen, ontvangen en uitdelen.” –De Wens der Eeuwen, blz. 317.
Christelijke instellingen, zendelingen en vrijwilligers over de hele wereld leven deze realiteit uit door hun leven te wijden aan het voorzien in de behoeften van de meest kwetsbaren. Van voedselprogramma’s voor mensen met honger tot projecten die onderwijs, gezondheidszorg en basiszorg bieden, deze initiatieven weerspiegelen de liefde van Christus in actie. Wat in onze ogen klein lijkt, kan het begin zijn van een groot werk in Gods handen.
Wij hoeven niet te wachten tot we overvloed hebben; wat we vandaag hebben, kan een instrument in de handen van Christus zijn om het onmogelijke te bereiken.
Een oproep tot daden
Het verzoek van Christus aan Zijn discipelen klinkt nu nog steeds. Hij nodigt ons uit om deel uit te maken van Zijn verlossende werk in de wereld, vooral in de wereldwijde context van zoveel nood. Honger, zowel lichamelijk als geestelijk, treft nog steeds miljarden mensen. Christenen zijn geroepen om Gods antwoord op deze behoeften te zijn.
Deze oproep tot actie kan beginnen met kleine gebaren: een bemoedigend woord, een donatie aan mensen in nood, of zelfs met de oprichting van een centrum voor sociale hulpverlening in onze gemeenten, dat tegemoet komt aan de fysieke en geestelijke behoeften van onze gemeenschappen. We kunnen de urgentie van de honger in de wereld niet negeren, maar als discipelen van Christus worden we uitgedaagd om met mededogen en vrijgevigheid te handelen.
“Jezus trachtte niet het volk tot Zich te trekken door aan de wens naar weelde te voldoen. Voor die grote menigte, moe en hongerig na een lange, opwindende dag, was eenvoudig voedsel een verzekering van Zijn macht zowel als tedere zorg voor hen in de gewone dagelijkse levensbehoeften. De Zaligmaker heeft Zijn volgelingen niet de luxe van de wereld beloofd; hun deel zou in armoede kunnen zijn, maar Zijn woord is gegeven, dat in hun behoeften voorzien zou worden, en Hij heeft beloofd wat beter is dan aardse goederen: de blijvende troost van Zijn aanwezigheid.
Nadat de schare gevoed was, bleef er nog een overvloed aan voedsel over. Jezus verzocht Zijn discipelen: ‘Verzamel de brokken, die over zijn, dat niets verloren ga’ (Johannes 6:12). Deze woorden betekenden meer dan voedsel in manden te doen. De les was tweevoudig.
Niets mag verloren gaan. Wij mogen geen tijdelijke voordelen voorbij laten gaan. Wij zouden niets mogen verwaarlozen, dat zou kunnen dienen tot heil van de medemens. Laat alles vergaderd worden, wat de noden van de hongerenden op aarde kan verlichten. Met dezelfde zorgzaamheid moeten wij het brood uit de hemel verzamelen om in de noden van de ziel te voorzien. Door ieder woord van God moeten wij leven. Niets van wat God gesproken heeft, mag verloren gaan. Niet één woord, dat onze eeuwige zaligheid aangaat, mag veronachtzaamd worden. Niet één woord mag nutteloos ter aarde vallen.” –De Weg tot Gezondheid, blz. 32-33.
“De discipelen brachten alles wat zij hadden tot Jezus; maar Hij nodigde hen niet tot eten uit. Hij gebood hun het volk te bedienen. Het voedsel vermenigvuldigde zich in Zijn handen, en de handen van de discipelen, naar Christus uitgestrekt, bleven niet leeg. De kleine voorraad was voldoende voor allen. Toen de scharen gevoed waren, aten de discipelen met Jezus van het kostelijke, door de hemel voorziene voedsel.
Als wij de behoeften van de armen zien, de onwetenden, de lijdenden, hoe dikwijls ontzinkt ons dan de moed? We vragen: ‘Wat baten onze zwakke krachten en magere hulpbronnen om te voorzien in deze vreselijke nood? Zullen wij wachten op iemand van grotere bekwaamheid om het werk te leiden, of op een of andere organisatie die dit onderneemt?’ Christus zegt: ‘Geeft gij hun te eten’. Gebruik de middelen, de tijd, de bekwaamheid, die u hebt. Breng uw gerstebroden bij Jezus.
Ofschoon uw bronnen niet voldoende zullen zijn om duizenden te voeden, kunnen zij voldoende zijn om één persoon te voeden. In de hand van Christus kunnen zij velen voeden. Doe als de discipelen, geeft wat u hebt. Christus zal de gift vermenigvuldigen. Hij zal eerlijk, eenvoudig vertrouwen in Hem belonen. Dat wat slechts een magere voorraad scheen, zal blijken een rijk feestmaal te zijn.” –De Weg tot Gezondheid, blz. 34.
Conclusie
“Geeft gij hun te eten” is niet alleen een aansporing tot liefdadigheid, maar een oproep tot verantwoordelijkheid. Jezus liet zien, dat we niet veel hoeven te hebben om een verschil te maken; we hoeven alleen maar te geven, wat we hebben in Zijn handen te leggen.
Net zoals de broden en de vissen werden vermenigvuldigd, kan Christus ook onze inspanningen en middelen vermenigvuldigen om de hongerige menigten om ons heen geestelijk en lichamelijk te voeden. In een wereld, waar miljoenen mensen honger lijden, moet de gemeente met mededogen op deze oproep blijven reageren. Als weerspiegeling van de liefde van Christus in een samenleving, die zo’n grote behoefte heeft aan zorg en hoop.